Home » Posts tagged 'Den Haag'
Tagarchief: Den Haag
Goudgele taxi

Reizen met de trein is beslist geen straf. Natuurlijk, een enkele keer is-ie te laat en sta ik te blauwbekken op een winderig perron. Een heel enkele keer komt de trein helemaal niet. Maar over het algemeen bof ik; op mijn route in spitsuren van A naar B sta ik nooit opgehokt.
Een ritje in de trein is dus een relaxed begin van de dag, met een krant of tijdschrift. Je hoort en ziet andere passagiers en treinpersoneel. Maar wat je hoort is niet altijd voor iedereen bestemd. Ik herinner me nog een tenenkrommende situatie van een aantal jaren geleden. Mobiele telefoons zijn dan al gemeengoed; stiltecoupes nog niet. In de trein zit een meisje met een enorm Haags accent met haar Twentse vriend. Zij belt, terwijl ze zelf niet in de gaten heeft dat ze erg hard praat: “Ja, maar mam, ik kan er toch ook niets aan doen dat ik ongewild zwanger ben geworden.” De hele coupe moet meeluisteren…
Een ander moment in de goudgele taxi. (Prachtige term, die ik ooit hoorde van een student.) Mijn trein moet wachten op een aansluiting en het treinpersoneel overlegt wat. De een: “Het stoptreintje is te laat. Heeft wurgcontract met Connexxion.” De ander reageert: “Ja, ik heb contact gehad. Ze noteren het en dat gaat dan naar de evaluatie. Dat is het ronde archief.” Duidelijk gevalletje waarbij het knopje van de intercom vergeten is…
Toch is er ook wel vrolijks onderweg. Gisteren klonk direct na een overstap een opgewekt omroepbericht: “Goedendag. Vandaag is er railcatering in de trein en die cateraar ben ik! Zo dadelijk kom ik bij u langs met dranken en versnaperingen, die u natuurlijk ook wilt hebben.” En even later stapt er inderdaad een hipster de coupe binnen, die zich nogmaals op onconventionele wijze voorstelt. “Goedendag, hier ben ik: uw favoriete railcateraar! Ik heb koffie, thee, frisdranken, gevulde koeken en andere primaire levensbehoeften, zoals powerbanks om uw mobiele apparaten weer tot leven te wekken.” Ik vind het een geweldige introductie! Misschien heeft deze jongen de baan geaccepteerd bij gebrek aan iets anders. Wellicht is dit niet zijn route naar een gloedvolle carrière. Maar hij maakt er wat van. Dat wil ik vaker horen!
Knorr
“Melkboer, heb je iets voor de mieren?”, vraagt het Surinaamse meisje lijzig van onder haar honderden vlechtjes met gekleurde kraaltjes. “Natuurlijk”, zegt mijn vader, nooit te beroerd voor een grapje. “Wat wil je hebben: suiker, stroop, limonadesiroop?” Haar reactie schalt als een te luide sirene door de winkel: “Neeeee, ik bedoel iets tégen de mieren!” Met lege handen, maar een ervaring rijker verlaat Chiquita even later onze winkel op de hoek.
Als mijn broer en zusjes het hebben over ‘de buurt’, is dat nog steeds de Boerenstraat in Den Haag. Niet de plaats waar ik nu woon en niet de omgeving waar mijn ouders jaren geleden heen zijn verhuisd. ‘Onze’ buurt is de Transvaalwijk van rond 1975. Waar anders woonden mevrouw Moes en mijnheer Nijman? Alleen zij lieten je een bonbon proeven als je in Scouting-uniform ‘een heitje voor een karweitje’ kwam doen. En mevrouw Egberts, die zo verschrikkelijk dik was? Bij haar in huis rook het zó muf dat je altijd een flinke hap lucht nam voordat je naar binnen ging. Of het ‘paarse vrouwtje’? Niet alleen haar vest, maar werkelijk alle kleedjes in haar huis waren gehaakt van paars garen. Altijd wekte ze de indruk dat ze kort geleden in de straat was komen wonen; ze kende immers niemand. In werkelijkheid woonde ze er al dertig jaar, sinds het bombardement van het Bezuidenhout. In loop van de jaren veranderde de straat en werd het zeer multicultureel. En zo kwamen ook de Pakistaanse buurman, de Turken van verderop en de Surinaamse gezinnen voor boodschappen bij ons; bij de melkboer op de hoek.
Op een dag vertelt een ouder echtpaar dat ze een hond willen nemen. Mijn vader is gewend om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Opa en oma hebben immers nog een vuilnisbakkie lopen en zo verhuist het beestje van een boerderij naar de grote stad. Maar het stel wil het hondje uiteindelijk niet; ze vinden hem te oud. Díe dag krijgen alle kinderen na het afrekenen de vraag of ze het hondje willen hebben. “Ja, leuk”, is het antwoord dan, maar steevast komt het beestje na een te korte wandeling weer terug. “Het mag niet van mijn moeder, melkboer.” Uiteindelijk neemt ome Jan hem mee. Hij vind het wel gezellig, zo’n hondje in huis. Hij noemt hem Porky en mijn ouders houden er een goede klant aan over. Voor Porky geen voer uit blik. Nee, ome Jan koopt een paar keer per week een pond gebraden varkensfricandeau voor hem; de duurste vleeswaar die we verkopen.
Op verjaardagen doen dit soort verhalen het nog steeds goed. Zelfs op het werk kan ik ze als voorbeeld gebruiken. Natuurlijk kun je zeggen dat moslims geen varkensvlees eten. Maar het beklijft veel beter als ik vertel hoe dat bij ons in de winkel tot uiting kwam. Een Turkse man komt voor een pakje soep. Mijn moeder vraagt hem welk merk het moet zijn: California of Knorr. Ze ziet hem bedenkelijk kijken. Knorr? Dat kan niet goed zijn voor een moslim! “California”, zegt hij beslist.